Plastic! Plastic! Plastic
Louis Boeren hekelt het alomtegenwoordige “plastic”, dat zal dan een trend geweest zijn die na WOII de kop opstak. Die oorlog zat nog goed in het geheugen en hij wijdt er zijn laatste licht ironische strofe aan.
Plastic! Plastic! Plastic
1071 [A] Louis Boeren (+1973) [C] Joop De Leur (+1973)
Als je nu de aard’ beziet
nu dan merk je het subiet
dat hij naar de bliksem is
Als het zo nog lang moet gaan
heeft de mens niets anders aan
wat niet van plastic meer is
Meisjes, met lange broek aan
PLASTIC, PLASTIC, PLASTIC
Rokjes die tot haar knie gaan
PLASTIC, PLASTIC, PLASTIC
Haar bustenhouder en haar corset,
blinkende schoenen heel chique en net
Pyama als zij naar bed gaan:
PLASTIC, PLASTIC, PLASTIC
Nu heeft men het geprobeerd
en profeten het beweerd
Iedereen die lacht zich ziek
Kousen, schoenen, pantalon
jassen, hemden, parasol:
alles van gekleurd plastic!
En ziet, eenmaal komt de tijd
dat iedereen zich verblijdt.
Het idee is magnifiek.
Midden in het oorlogsveld,
net als kegels opgesteld
staan soldaten in plastic!
| Partituur * Plastic! Plastic! Plastic * | |
instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: Leni, je hebt mijn broek aan MUZ0779 "Louis Boeren 1891-1973 deel 2: verzameling der liederen" - Marleen De Rudder muziek volgens "Mortier n° 878 - arr. Abel Frans" (1948)
Mijn vaders duurbaar bootje


Dit lied komt ook voor op een liedblad van “Elise Cooren uit Oostende”, met een identieke illustratie. Bij nader toezien bevatten beide liedbladen dezelfde liederen …
Het ligt dus voor de hand dat Elise na haar huwelijk van naam veranderde en van Oostende naar Kortrijk verhuisde.
In Geneanet vonden we een echtpaar Hector Alfons DEMEYERE (1893-1956), gehuwd met Elisa Maria COOREN (1893-1959), geboren in “Mariakerke bij Oostende” en haar echtgenoot in Kortrijk. Beiden zijn overleden in Gent.
Volgens haar geboorteakte dd. 30/11/1893 was zij de dochter van Ludovicus Petrus Cooren en van Maria Louisa Vermeulen (moeder geboren circa 1874 in Saint Omer, Frankrijk)
Jef Klausing (1918-2004) vond het liedblad dankzij het opzoekingswerk van Jan Huyghe en wij zijn zo vrij Jef’s commentaar over dit lied te citeren.
Men zou dit lied een "pastorale" van het zeemansleven kunnen noemen. Een knaapje zit aan de oever van de woeste (natuurlijk) zee en tuurt naar het scheepje van zijn vader. Het droomt dat het scheepje vergaan is. Maar het lied heeft een happy-end, vader komt behouden weer. De moraal ligt in de laatste regel van de derde strofe, " Droevig is er de visvangst ter zee " Het lied wordt qezongen op de melodie van " Sous le soleil Marocain " dat vooral in de tweede helft van de jaren twintig "in" was. Jan Huyghe tekende het op te Veurne. De tekst komt voor op een vliegend blad met liederen gezongen door de Oostendse zangeres Elise Cooren. Het Instituut voor Volkskunde te Antwerpen bezit eveneens een vliegend blad met deze tekst, maar deze is verspreid en gezongen door Vrouw Demeyer die toen Kortrijk opgaf als woonplaats. Deze zangeres heeft evenwel ook te Oostende gewoond wat de vraag doet opkomen of het lied wellicht afkomstig is uit Oostende
Die twee liedbladen zijn ook in ons bezit, dankzij de vrijgevigheid van Leo Coulier en Willy Machiels.
Mijn vaders duurbaar bootje
1101 [A] Vrouwe Demeyer [C] R. Desmoulins (1881-1939)
Aan den oeverkant van de woeste zee
zat een kleine knaap met het hart vol wee.
En het loert altijd naar de golven heen,
wijl hij zucht met leed: “Keerde hij maar weer!”
Zijn brave vader was heengevaren
in het gure weder met zijn vissersboot.
Ach, duurbaar kleine boot,
waar zijt gij nu met vader heengevaren?
Die in die brede schoot
de zee trotseert om ’t zuur verdiende brood.
Zelfs in de gure wind
strijdt gij voor ’t leven van ons huis’lijk kroost.
Ach, bootje lief, smeekte ’t knaapje toch zo teer:
breng mijn vadertje toch weer.
Door de felle wind hoort men niet het kind,
hoe het toch zo tracht en naar vader wacht.
Zijn gedacht was wreed, van die kleine boot,
het vergaan in zee en zijn vaders dood.
Het weende en zuchtte stil bewogen,
duurbaar bootje, kom toch weerom!
Daar, de boot wellicht die kwam in het zicht
en de vader teer kwam behouden weer.
Hij vond er zijn kind dat hij teer bemint
door vermoeidheid laat in een diepe slaap.
Het droomde luide van zijn vader,
droevig is de visvangst der zee.
| Partituur * Mijn vaders duurbaar bootje * | |
instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: "Sous le soleil Marocain" liedblad "Vrouwe Demeyer, Kortrijk" (MUZ0917 pag. 146) liedblad "Cooren Elise, Oostende" (MUZ0940 pag. 50) boek “Zingende baren” - Jef Klausing 1986 (MUZ0115 pag. 28) boek “Muzikaal erfgoed van Oostende deel 1,2 en 3” - Roland Desnerck 2018 (MUZ0814 pag. 345)
De laffe moordzaak te Heusden (1931)

In 1931 gebeurt er een drama in een café te Heusden: de dochter des huizes, nauwelijks 19 jaar oud, wordt door een afgewezen kandidaat-minnaar doodgeschoten.
Onder andere Gazet van Antwerpen schrijft erover en meldt dat de niet met name genoemde dader de vlucht heeft genomen en spoorloos verdween.
Louis Boeren was meteen in actie geschoten en schreef het hele verhaal rijmend neer in een lied op de droevige melodie van “Le bâtelier de la Volga”.
Twee dagen later komt De Nieuwe Gazet met een vervolgbericht: de dader is gevonden.
Hij was teruggekeerd naar de plaats van de misdaad en heeft zich daar met het moordwapen van het leven beroofd.
Dat wist Louis Boeren nog niet bij het drukken van zijn liedblad, hij zag de dader mettertijd ter dood veroordeeld door het gerecht, maar het ging allemaal iets sneller dan verwacht.

De laffe moordzaak te Heusden
1069 [A] Louis Boeren [C] Emile Liétard (1861-1950)
Vrienden, blijft allen even staan
en hoort mij even aan wat is gebeurd.
Te Heusden, eens zo’n stille oord,
een wrede laffe moord
wordt daar betreurd.
Een braaf fatsoenlijk wezen,
al moest haar lot zo wezen,
die werd bemind door een lastig sujet
die op het meisje zijn zin had gezet.
Maar zij, van harentwege,
onthield hem steeds de zegen.
Zij had nog nimmer zijn liefde gedeeld.
Dat had den lafaard tenslotte verveeld.
De meid, van name Hubertien,
woonde met het gezin in een Café.
Het kind had goed de achttien jaar
dacht nog aan geen gevaar en was tevree.
Maar zie, dat mocht niet wezen,
hij deed haar harte vrezen.
En ziet nu vrienden om zekere reê
kwam hij des avonds weer in het Café.
Hij dronk daar menig pintje
dat laf en wrede vriendje
en bleef daar hangen tot den laten stond,
wijl iedereen zich te ruste bevond.
Haar vader sprak toen vriend’lijk lief:
vertrek nu als je blief, den tijd is daar.
Wij sluiten en daarmee gedaan,
en ik verzoek u reeds maar heen te gaan.
Ik wil, zo sprak de lafaard
met ogen als een wreedaard,
nog even spreken met mijn Hubertien.
Ik wil haar even een stonde nog zien.
Wijl zij nog kwam naar voren
toen was haar lot beschoren.
En hoort nu vrienden, wat deed den barbaar?
Het droevig drama, het noodlot was daar.
De lafaard sprak toen heel gezwind
van liefde en van min, zij spraken saam,
maar voor dat iemand er van wist
toen was die arme meid haar lot beslist.
Want zie, na enk’le stonden
lag daar die meid ten gronde.
Hij schoot haar neer en het moordende lood
had haar getroffen, daar lag ze nu dood.
De lafaard vluchtte henen
en was weldra verdwenen.
Men zal hem vinden, de galg is voorwaar
voor zo een lafaard toch heus niet te zwaar.
| Partituur * De laffe moordzaak te Heusden * | |
instrumentaal
|
Bronnen: Liedblad Louis Boeren (MUZ0779 pag. 51) Zangwijze: "Le bâtelier de la Volga" Krantenberichten: GVA 16 februari 1931, De Nieuwe Gazet 18 februari 1931


