Altijd maar zwieren
Louis Boeren blijft aan het woord. Vraag ons niet wat een “boemelaar mumiek” betekent, het enige wat we er van weten is dat het rijmt op “publiek”. Misschien had Louis Boeren “Lambiek” kunnen gebruiken, dat blijft in de dronkemanssfeer. Of “ludiek”, “komiek” … maar dat deed hij niet.
We hebben zijn andere taalkundige kronkelingen wegens rijmnood in de laatste strofe tekstueel een beetje gefatsoeneerd, met behoud van de verhaallijn Hier zijn oorspronkelijke tekst:
Altijd maar zwieren
1074 [A] Louis Boeren [C] Jaap Meijer
‘k Stel mij even voor, geacht publiek:
eenieder noemt mij boemelaar mumiek.
Ik kom zojuist weer van een drinkpartij
want, beste vrienden, ik ben steeds van de partij.
Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat ben ik aan den boemel,
en ik toon een blijde lach.
(ha ha ha)
Ik laat den helen boel maar waaien,
ik trek mij van de zaak niets aan.
En alle nachten pierewaaien,
ziet, zo een leven staat mij aan.
Ik heb geen kommer en geen zorgen,
schep altijd vreugd in het verschiet.
Wat er ook gebeure,
‘k weet van geen malheuren,
treuren doe’n ik niet.
‘k Ben bekend in iedeer staminee
en met de meisjes ben ik steeds tevree.
Ik ben verzot op liefdesavontuur
en, niet vergeten, ook de schrik van mijn gebuur.
Het zwieren zit mij in het bloed.
Altijd pierewaaien,
zie, dat doet mijn harte goed.
Werken, daaraan heb’k een broertje dood
want ondanks al dat werken heb je nood.
Ik ben een echte dopper van mijn stiel,
Ik heb gekozen wat het meest aan mij beviel.
Ik laat het werk aan wie het kent;
altijd aan den boemel,
zie, dat is mijn element.
| Partituur * Altijd maar zwieren * | |
instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: Rozen, te veel om ooit te tellen muziekpartituur uit verzameling Philippe Neutens "Louis Boeren 1891-1973 deel 2: verzameling der liederen " Marleen De Rudder (MUZ0779 pag. 72)

