De plakkers
Een winkelier heeft er zijn buik van vol dat zijn “kalanten” alles “op de plak” (op de poef, op krediet) willen kopen waarna hij al te vaak naar zijn geld kan fluiten. Dus neemt hij geen blad meer voor de mond en roept hij zijn collega’s op om hetzelfde te doen.
Louis Laermans uit Herent schreef de tekst neer in het tweede van drie liedjesschriften dat hij afsloot in 1927

Hij noteert “pantalon” achter de titel, waardoor we niet ver moeten zoeken om de melodie te achterhalen: “Elle a perdu son pantalon”, een favoriete melodie bij vele marktzangers.
In Kasterlee was het lied ook gekend en genoteerd door Herman van Gorp bij weduwe Roos Bisschops-Stessens (lied nr 11.89). Die had het in een schriftje overgeschreven circa 1926, dezelfde periode dus, nadat ze een liedblad ervan had gekocht op de markt in Kasterlee. Bij haar werd als zangwijze “Er hing een pekelharing aan” opgegeven, waardoor we nu weten dat dit ook verwijst naar een (ander) Vlaams lied, gezongen op de melodie van de verloren pantalon.
Dat liedblad vonden we terug. Zij kocht het van Honorine Van Hemelrijk uit Lokeren, echtgenote van accordeonist Aloïs Van de Velde, tevens auteur van de tekst over de “plakkers”. De “pekelharing” was een gedicht van “Rare Sus” en vinden we op hetzelfde liedblad terug.
De plakkers
1110 [A] Aloïs Van de Velde. [C] E. Paoli
Veel wijven hier in ’t land zijn zo goed gekalant
In ’t halen en plakken of kopen zonder geld.
Maar zijt gij winkelier, bakker of herbergier,
Gij moogt zo niet spreken, of ge krijgt zeker niets.
Dat vind ik niet serieus, daarbij nog dangereus.
’t Is altijd van geef maar, en schrijf maar op de boek.
Maar, ik geef goede raad, luistert eens hoe het gaat
Als zij nog willen kopen, vraagt dan seffens maar:
Hebt gij uw centen meegebracht ?
Ik geef u niets meer op de plak.
Zo laat ik me door u niet meer bedriegen,
Hebt ge geen centen, ge zult buiten vliegen,
Hebt gij geen geld in uwen zak,
Ik verkoop niets meer op de plak.
Want, morgen, vroeg of laat,
’t Is zeker en ’t is waar,
Gaat gij toch weeral plakken
in een and’re straat.
Katoke uit ons straat is proper en z’is braaf.
Ze koopt schone kleedjes, maar altijd op de poef.
Affronten kent ze niet, dan zegt zij maar subiet:
Durft gij me nog plagen, dan krijgt ge zeker niets.
Voor wie aanziet ge mij? ‘k Ben eerlijker als gij.
Ik vraag aan de mensen maar half zoveel als gij!
Maar laatst bij Jan van Greet vroeg zij weer naar een kleed.
Maar, Jan die zei subiet “Kato, luister eens hier:”
De zoon van boer Verlackt had alles vol geplakt.
Geen enkel kafeke, hij moest overal wat.
Menige herbergier die riep: “Gij kale pier,
Gij moet mij betalen, wanneer gij komt langs hier!”
’t Is overal gelijk, hetzij arm hetzij rijk,
Het plakken en poefen dat heeft altijd bestaan.
Maar al de winkeliers en ook de herbergiers,
Als er kalanten komen, moesten vragen eerst:
| Partituur * De plakkers * | |
1. instrumentaal |
Bronnen: zangwijze: “Elle a perdu son pantalon” MUZ0903 Het Volkslied in Kasterlee en omgeving lied nr 11.89 ook te vinden in het liedjesschrift van Louis Laermans, Herent (MUZ0477) Liedblad nr 36 van Honorine Van Hemelrijk & Aloïs Van de Velde


