Mijn vaders duurbaar bootje


Dit lied komt ook voor op een liedblad van “Elise Cooren uit Oostende”, met een identieke illustratie. Bij nader toezien bevatten beide liedbladen dezelfde liederen …
Het ligt dus voor de hand dat Elise na haar huwelijk van naam veranderde.
In Geneanet vonden we een echtpaar Hector Alfons DEMEYERE (1893-1956), gehuwd op 22/11/1911 met Elisa Maria COOREN (1893-1959), geboren in “Mariakerke bij Oostende” en haar echtgenoot in Kortrijk. Beiden zijn gehuwd en overleden in Gent.
Volgens haar geboorteakte dd. 30/11/1893 was zij de dochter van Ludovicus Petrus Cooren en van Maria Louisa Vermeulen (moeder geboren circa 1874 in Saint Omer, Frankrijk)
Haar man was de zoon van Theofiel Hectoor, een “foorkramer, rondreizende muzikant” en zijn moeder Maria-Ludovica Lacluyse was eveneens een “rondreizende muzikante”. Het is dus duidelijk hoe Elisa haar echtgenoot ontmoette.
Jef Klausing (1918-2004) vond het liedblad dankzij het opzoekingswerk van Jan Huyghe en wij zijn zo vrij Jef’s commentaar over dit lied te citeren.
Men zou dit lied een "pastorale" van het zeemansleven kunnen noemen. Een knaapje zit aan de oever van de woeste (natuurlijk) zee en tuurt naar het scheepje van zijn vader. Het droomt dat het scheepje vergaan is. Maar het lied heeft een happy-end, vader komt behouden weer. De moraal ligt in de laatste regel van de derde strofe, " Droevig is er de visvangst ter zee " Het lied wordt qezongen op de melodie van " Sous le soleil Marocain " dat vooral in de tweede helft van de jaren twintig "in" was. Jan Huyghe tekende het op te Veurne. De tekst komt voor op een vliegend blad met liederen gezongen door de Oostendse zangeres Elise Cooren. Het Instituut voor Volkskunde te Antwerpen bezit eveneens een vliegend blad met deze tekst, maar deze is verspreid en gezongen door Vrouw Demeyer die toen Kortrijk opgaf als woonplaats. Deze zangeres heeft evenwel ook te Oostende gewoond wat de vraag doet opkomen of het lied wellicht afkomstig is uit Oostende
Die twee liedbladen zijn ook in ons bezit, dankzij de vrijgevigheid van Leo Coulier en Willy Machiels.
Mijn vaders duurbaar bootje
1101 [A] Vrouwe Demeyer [C] R. Desmoulins (1881-1939)
Aan den oeverkant van de woeste zee
zat een kleine knaap met het hart vol wee.
En het loert altijd naar de golven heen,
wijl hij zucht met leed: “Keerde hij maar weer!”
Zijn brave vader was heengevaren
in het gure weder met zijn vissersboot.
Ach, duurbaar kleine boot,
waar zijt gij nu met vader heengevaren?
Die in die brede schoot
de zee trotseert om ’t zuur verdiende brood.
Zelfs in de gure wind
strijdt gij voor ’t leven van ons huis’lijk kroost.
Ach, bootje lief, smeekte ’t knaapje toch zo teer:
breng mijn vadertje toch weer.
Door de felle wind hoort men niet het kind,
hoe het toch zo tracht en naar vader wacht.
Zijn gedacht was wreed, van die kleine boot,
het vergaan in zee en zijn vaders dood.
Het weende en zuchtte stil bewogen,
duurbaar bootje, kom toch weerom!
Daar, de boot wellicht die kwam in het zicht
en de vader teer kwam behouden weer.
Hij vond er zijn kind dat hij teer bemint
door vermoeidheid laat in een diepe slaap.
Het droomde luide van zijn vader,
droevig is de visvangst der zee.
| Partituur * Mijn vaders duurbaar bootje * | |
instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: "Sous le soleil Marocain" liedblad "Vrouwe Demeyer, Kortrijk" (MUZ0917 pag. 146) liedblad "Cooren Elise, Oostende" (MUZ0940 pag. 50) boek “Zingende baren” - Jef Klausing 1986 (MUZ0115 pag. 28) boek “Muzikaal erfgoed van Oostende deel 1,2 en 3” - Roland Desnerck 2018 (MUZ0814 pag. 345)

